Door Jurgen Braspenning
Opvallende beslissing in de zaak NAC versus de KNVB
Als Tilburgs kantoor zijn wij natuurlijk trouwe supporters van Willem II, maar het recente kort geding van NAC tegen de KNVB hebben wij ook met interesse gevolgd. Gisteren werd de uitspraak gepubliceerd (Rb. Midden-Nederland 4 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2166) en helaas voor NAC en voetballiefhebbend Breda verloor NAC de zaak. De wedstrijd tussen NAC en Go Ahead Eagles van 15 maart 2026, waarbij aan de zijde van GAE een niet-speelgerechtigde speler meedeed, hoeft niet te worden overgespeeld. Bestudering van de uitspraak laat echter zien dat het balletje zomaar anders had kunnen vallen.
Kort geding
Het is vooreerst goed om te realiseren dat het een kort geding betreft. Dit is een spoedprocedure waarbij een rechter zich een voorlopig oordeel vormt over een bij hem voorliggend verzoek. Dat doet de rechter op basis van processtukken en hetgeen zich ter zitting afspeelt. Voor diepgang en verdere bewijsvoering is geen tot weinig plaats. De rechter anticipeert als het ware op de nog te voeren daadwerkelijke rechtszaak (de zgn. bodemprocedure) en beslist of hij de gevraagde voorziening toewijst. Daarbij wordt ook altijd gekeken of er wel voldoende spoedeisend belang is bij deze voorziening. Dit alles maakt dat de uitspraak van de rechter in de zaak van NAC een voorlopig oordeel is op basis van relatief beperkte informatie. Zo moet men de uitspraak ook lezen en begrijpen.
De uitspraak
De rechter heeft zich gebogen over een door de KNVB op 8 april 2026 genomen besluit om de wedstrijd tussen NAC en GAE niet over te laten spelen. Dit betreft een besluit van een vereniging en de rechter toetst, net zoals alle besluiten van rechtspersonen, aan art. 2:15 BW (vernietigingsgrond besluit) in verbinding met art. 2:8 BW (de redelijkheid en billijkheid).
NAC stelde dat het besluit van 8 april 2026 in strijd is met artikel 7 van het Reglement wedstrijden betaald voetbal (RWBV). Uit die bepaling zou volgen dat bij het meespelen van een niet-speelgerechtigde speler, de wedstrijd overgespeeld moet worden.
Opvallend is dat in deze procedure door de KNVB bevestigd is dat het staand beleid is om wedstrijden over te laten spelen als er een niet-speelgerechtigde speler heeft meegedaan. Volgens de KNVB ging het tot dusver steeds om op zichzelf staande gevallen. De zaak van NAC betreft echter een situatie die voor veel meer wedstrijden geldt. De KNVB verklaarde ter zitting dat het mogelijk om 133 wedstrijden zou gaan. Dat maakt volgens de KNVB dat zij in dit geval anders mocht beslissen dan zij tot dusver deed.
De rechter geeft NAC op dit punt ongelijk. Eerst gaat de rechter over tot het uitleggen van art. 7. De rechter leest vervolgens in artikel 7 een discretionaire bevoegdheid voor de KNVB om een dergelijke wedstrijd ongeldig te laten verklaren en, eventueel, over te laten spelen. Aan de vraag of een wedstrijd overgespeeld moet worden gaat dus een stap vooraf, namelijk een wedstrijd ongeldig verklaren. Nu dat niet gebeurd is, komt men aan de vraag of de wedstrijd overgespeeld moet worden in het licht van art. 7 niet meer toe. De KNVB had zoals gezegd die vrijheid.
NAC heeft voorts aangevoerd dat het besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW) onaanvaardbaar is. De rechter hanteert daarbij een terughoudende toets, omdat de KNVB en haar bestuur een zekere beleidsvrijheid hebben. De rechter overweegt dat het onvoldoende aannemelijk is dat in een opvolgende bodemprocedure het besluit van 8 april 2026 vernietigd zal worden wegens strijd met art. 2:8 BW. Daarbij wordt grote waarde gehecht aan de potentieel omvangrijke gevolgen van een voor NAC gunstig vonnis. Er hebben zich namelijk meer clubs gemeld bij de KNVB met het verzoek om wedstrijden ongeldig te verklaren en opnieuw te laten spelen. Zou NAC gelijk krijgen, dan zouden er nog veel meer wedstrijden opnieuw gespeeld moeten worden. Dit in combinatie met het feit dat de competitie bijna ten einde is en de nacompetities voor promotie/degradatie bijna beginnen, vindt de rechter het belang voor de KNVB (en de competitie) zwaarder wegen dan het belang van NAC bij overspelen.
De makkelijkste oplossing
De uitkomst is teleurstellend voor NAC. Zeker omdat de rechter voor de makkelijkste weg heeft gekozen. Enerzijds staat tussen partijen vast dat het staand beleid is dat de KNVB wedstrijden laat overspelen en anderzijds verliest NAC de zaak omdat de KNVB beleidsvrijheid heeft om wedstrijden niet ongeldig te laten verklaren. Dat lijkt elkaar te bijten. Ook hecht de rechter wel erg veel waarde aan het bredere plaatje. Het belang van de KNVB met betrekking tot het organiseren van de laatste fase van de eredivisie, eerste divisie en play-offs lijkt een belangrijke rol te hebben gespeeld in de afweging om NAC ongelijk te geven. De vraag is of dat in de kaders van het kort geding de bedoeling was. Uiteindelijk is het immers aan de behandelend rechter om in een individueel geschil te beslissen om wel of geen spoedvoorziening te geven. De vraag die voorlag was of de wedstrijd NAC tegen GAE overgespeeld moest worden, niet of een of meer andere wedstrijden óók overgespeeld moesten worden.
Het bredere verband
Deze uitspraak is voor voetballiefhebbers interessant en was zonder meer van belang voor het verdere verloop van de competitie. De uitspraak raakt echter aan een breder thema, namelijk de vraag in hoeverre een rechter zogenaamde macro-effecten én macro-argumenten moet meenemen in zijn beslissing in een concrete zaak. Macro-effecten zijn (al dan niet potentiële) juridische én feitelijke effecten van een rechterlijke beslissing voor de procespartijen én derden. Onder meer de uitspraak in de zaak Urgenda (Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006) heeft op dat vlak de nodige pennen in beweging gekregen, met voor- en tegenstanders ten aanzien van de vraag of een rechter bredere maatschappelijke belangen/macro-effecten moet betrekken in zijn beslissing. Het is in dat licht voer voor verdere discussie of de rechter in deze zaak zich niet te veel bewust is geweest van de potentieel grote gevolgen van een voor NAC gunstige uitspraak.
Heeft u vragen over deze uitspraak?
Neem dan gerust contact op met onze advocaat Jurgen Braspenning. Hij is bereikbaar op 013 542 0400 of via [email protected].
Wat als een partij de tijdens een rechtszaak getroffen schikking niet nakomt?
Het verval van rechten
Verjaring van rechtsvorderingen
Op zoek naar meer informatie omtrent dit onderwerp? Lees alle publicaties.
Andere actualiteiten
Neem vrijblijvend contact op met onze specialisten
Of je nu een bedrijf runt of een particulier bent, wij bieden persoonlijk juridisch advies op maat, afgestemd op jouw behoeften